Theoretische grondslag behandelvisie
Terug naar het overzicht

Theoretische grondslag behandelvisie

Gelezen
Copy triangle

De behandeling binnen de FPA’s en FPK van Fivoor heeft als voornaamste doel het verminderen van het risico van delictgedrag. De visie op behandeling is forensisch, ongeacht of iemand is geplaatst in een strafrechtelijk kader of binnen de Wet verplichte ggz. We gaan er van uit dat alle patiënten die bij ons worden behandeld zorg nodig hebben. Hierbij wordt niet alleen naar de psychiatrische problematiek gekeken, maar ook naar de gevolgen van zijn of haar gedrag voor de omgeving.

Binnen de forensische psychiatrie zijn een aantal modellen breed geaccepteerd als uitgangspunt bij het kiezen van behandeling. De belangrijkste daarvan is het Risk- Need- en Responsivity model (RNR) (Andrews e.a. 1990; Andrews & Bonta 2007;. 2010). Een aanvulling daarop is het Good Lives Model (GLM, Ward 2002).

De inhoudelijke invulling van de behandeling gebeurt uiteraard volgens de multidisciplinaire behandelrichtlijnen GGZ en zoveel mogelijk met evidence based of best practice methodieken. Ook de kennis vanuit het programma KFZ (Kwaliteit Forensische Zorg) wordt gehanteerd, vanwege de specifieke toepassing op de forensische sector.

Bij het vormgeven van het klinische milieu wordt gebruik gemaakt van het model van de milieutherapie (Janzing en Kerstens).

RNR Model

De behandeling is gebaseerd op de principes van het Risk-Need-Responsivity-model (RNR). Het is gegrond op wetenschappelijk onderzoek en statistiek over de samenhang tussen bepaalde kenmerken en recidivecijfers. Het RNR-model is bedoeld om behandelaanbod zo doelmatig mogelijk in te zetten en beschrijft drie beginselen waar interventies op moeten worden beoordeeld;

  • RISK (risicobeginsel): de intensiteit van de interventie moet zijn afgestemd op het recidiverisico. Is het risico klein kan worden volstaan met een geringe intensiteit (reclassering, psycho-educatie), middelmatig (forensisch poliklinische behandeling) en is het risico hoog dan dient de interventie veelomvattend en ingrijpend (klinische opname) te zijn.
  • NEED (behoefte beginsel) de interventie moet gericht zijn op criminogene behoeften. Criminogene behoeften zijn veranderbare risicofactoren die direct samenhangen met recidive (persoonlijkheid, middelengebruik, problemen school/werk, schulden) Niet-criminogene behoeften (zelfwaardering, stoornis, enz.) kunnen indirect bijdragen aan terugdringing van dynamische risico.
  • RESPONSIVITY (responsiviteitbeginsel); een interventie moet passen bij de motivatie, leerstijl en intellectuele mogelijkheden van de patiënt.
RNR Model

Good Lives Model (GLM)

Het Good Lives Model (GLM) is ontwikkeld als reactie op het RNR-model, omdat dit weliswaar goed verklaart welke methodes passend zijn voor welke patiënt, maar niet hoe iemand geholpen kan worden zich te rehabiliteren. Het GLM is in eerste instantie ontwikkeld voor de behandeling van zedendelinquenten, maar is ook zinvol bij andere problematiek. Het GLM stelt dat elk gedrag (dus ook delictgedrag) dient om elementaire behoeften te bereiken. Behoeften zijn bijvoorbeeld gezondheid, kennis, autonomie, verbinding met anderen of zingeving. Het belang dat iemand hecht aan bepaalde doelen of behoeften is individueel bepaald en delictgedrag wordt gezien als een (ongewenste) manier om doelen te bereiken.

Waar de traditionele aanpak (gebaseerd op risicotaxatie) vooral inzet op het tegengaan of voorkomen van negatief gedrag, richt het GLM zich op zogenaamde toenaderingsdoelen. De behandeling wordt ingezet op gezonde, geaccepteerde manieren om in behoeften te voldoen. Doordat er oog is voor de motivatie van patiënt en zaken die belangrijk voor hem zijn is het makkelijker om een gezamenlijk doel te formuleren.

Er is een zekere overlap tussen het Good Lives Model en het herstelgericht werken: er wordt gekeken naar de persoon als geheel, met sterke en minder sterke kanten. Ook wordt er gekeken naar wat er nodig is om maatschappelijke aanpassing te (her)vinden.

Good Lives Model (GLM)

Multidisciplinaire behandelrichtlijnen ggz

De laatste jaren zijn er diverse multidisciplinaire behandelrichtlijnen ontwikkeld voor de geestelijke gezondheidszorg. Deze richtlijnen maken de vertaalslag van de resultaten uit wetenschappelijk onderzoek naar het handelen van forensisch medewerkers en behandelaren binnen de FPA en FPK. De richtlijnen zijn actief door de verschillende disciplines die betrokken zijn bij de behandeling ontwikkeld en waar mogelijk met betrokkenheid van patiënten. Deze richtlijnen zijn terug te vinden op de pagina van ggz standaarden.

Het mooie aan deze richtlijnen is dat zij in de beschrijving de behandelaar volledig van informatie voorziet van gebleken effectieve behandelopties. Elke richtlijn bevat een inleiding, informatie over de stoornis, samenvatting, advies voor het vergroten van succes van de behandeling. De richtlijn beschrijft een advies over welke handelingen zorgaanbieders en behandelaars onder welke omstandigheden moeten verrichten.

Binnen de afdelingen van OFZ worden patiënten behandeld voor de volgende stoornissen die ten grondslag kunnen liggen aan het delictgedrag (met een aantal links naar de multidisciplinaire richtlijnen):

Therapeutisch behandelmilieu

In de klinische omgeving staat het leven in een groep centraal en vormt de milieutherapie de kern van de behandeling. In de FPK en FPA’s wordt op de verschillende afdelingen getracht een positief leefklimaat te creëren, waarbinnen het voor de patiënten mogelijk is te oefenen met nieuw gedrag en te werken aan zijn risicofactoren. Een groot gedeelte van het verblijf brengt de patiënt door op de afdeling. Dit betekent dat hij/zij in deze omgeving voortdurend situaties meemaakt die je kunt bekijken vanuit de principes van milieutherapie. Een van de kernpunten in de milieutherapie is dat de leefgroep een plek is waar de patiënt ondersteuning en feedback krijgt op zijn of haar gedrag vanuit de forensisch medewerkers. Medewerkers geven zelf het goede voorbeeld (rolmodel) en zien erop toe dat de patiënten de structuur en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben, maar ook kunnen oefenen met nieuw gedrag. Het doel is voldoende mogelijkheden te creëren voor persoonlijke groei binnen een gestructureerde, veilige omgeving waar patiënten en medewerkers elkaar met respect behandelen.

De denkbeelden uit bovenstaande modellen/richtlijnen vormen de uitgangspunten voor de behandeling van onze patiënten. Vanuit dit gedachtegoed willen we het gedrag van de patiënten beïnvloeden. Deze theoretische grondslag wordt vertaald in uitgangspunten om te werken met de doelgroep binnen OFZ en geven richting aan onze keuze van kaders, modellen of middelen die gehanteerd worden en daarmee aan het concrete handelen van onze professionals.