Leef- en behandelklimaat
Terug naar het overzicht

Leef- en behandelklimaat

Gelezen
Copy triangle

Een groot deel van de patiënten die op klinische forensische afdelingen verblijven, verblijft daar gedwongen en is niet (onmiddellijk) gemotiveerd voor behandeling. In de klinische omgeving staat het leven in een groep centraal en vormt de milieutherapie de kern van de behandeling.

Therapeutisch behandelmilieu

In de FPK en FPA’s wordt op de verschillende afdelingen getracht een positief leefklimaat te creëren, waarbinnen het voor de patiënten mogelijk is te oefenen met nieuw gedrag en te werken aan zijn risicofactoren. Een groot gedeelte van zijn verblijf brengt de patiënt door op de afdeling. Dit betekent dat hij/zij in deze omgeving voortdurend situaties meemaakt die je kunt bekijken vanuit de principes van milieutherapie. Een van de kernpunten in de milieutherapie is dat de leefgroep een plek is waar de patiënt ondersteuning en feedback krijgt op zijn of haar gedrag vanuit de forensisch medewerkers. Medewerkers geven zelf het goede voorbeeld (rolmodel) en zien erop toe dat de patiënten enerzijds de structuur en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben, maar anderzijds ook worden uitgenodigd om te oefenen met nieuw gedrag.

Het doel is voldoende mogelijkheden voor persoonlijke groei binnen een gestructureerde, veilige omgeving waar patiënten en medewerkers elkaar met respect behandelen.

Milieutherapie omschrijft een spectrum met twee uitersten supportief en sociaal therapeutisch. Hoe supportiever hoe meer structuur en begeleiding. Hoe meer sociaal therapeutisch hoe meer de regie en verantwoordelijkheid bij de patiënt wordt gelegd.

Supportieve behandelafdelingen

Supportieve behandelafdelingen zijn afdelingen waar patiënten verblijven die in meer of mindere mate last hebben op het gebied van realiteitstoetsing, emotionele gevoeligheid, het kunnen aangaan van contacten met anderen en verminderde cognitieve capaciteit. Bij deze patiënten is veelal sprake van een psychotische stoornis, een stoornis op het autistiforme spectrum, een zwak geïntegreerde persoonlijkheidsstructuur, patiënten met een lage intelligentie, al dan niet in combinatie met problematisch middelengebruik.

Belangrijk in dit milieu is dat de patiënt leert om te oefenen met nieuw geleerde vaardigheden om zo zelfstandig mogelijk te functioneren (meer autonomie) en daarnaast acceptatie om te leven met bepaalde beperkingen. Praktisch gezien omvat een dergelijk milieu een voorspelbare structuur (therapie/ weekprogramma), waar nodig hand-in-hand-begeleiding, in het ‘hier-en-nu’ en is het gericht op prikkelreductie.

Sociaal-therapeutische behandelafdelingen

Sociaal-therapeutische behandelafdelingen kenmerken zich door een continue wisselwerking tussen de patiënt en zijn omgeving en hoe de patiënt zich hierin verhoudt en aanpast. Dit milieu is primair gericht op de adaptatie van persoonskenmerken die negatief, antisociaal van aard zijn, zoals een gebrek aan respect en empathie, een vijandige houding, manipulatie, wraak en een negatieve instelling. De behandeling binnen een sociaal-therapeutisch behandelmodel is gericht op het verbeteren van de sociale adaptatie. Het doel is het verstevigen, respectievelijk opbouwen, van een passende sociale identiteit. Sociale adaptatie kan gezien worden in het licht van actieve aanpassing door enerzijds zichzelf aan te passen aan de omgeving en anderzijds de omgeving op een constructieve manier aan te passen aan de eigen wensen en behoeften waar nodig.

Een positief leefklimaat draagt bij aan een effectievere behandelmethodiek en individuele therapie. Voorwaarde voor het creëren van een positief leefklimaat is dat medewerkers een balans kunnen hanteren tussen structuur bieden aan patiënten en flexibiliteit (. Structuur is nodig om veiligheid te bieden en chaos en anarchie te voorkomen), flexibiliteit is nodig om therapeutische doelen te bereiken. Dit specifieke behandelmilieu is alleen mogelijk wanneer de afdeling (relatief) afgeschermd is van de samenleving. Hierdoor kunnen regels gezamenlijk (forensisch medewerker en patiëntengroep) bepaald worden. Dit maakt dat patiënten kunnen oefenen met gedrag. Een risico hierbij is dat een interne gerichtheid (hospitalisatie) ontstaat, die misschien noodzakelijk is voor behandeling, maar voorbij kan schieten aan individuele behandeldoelen van een patiënt. Milieutherapie vraagt dan ook om samenwerking met verschillende disciplines.

Medeverantwoordelijkheid patiënt

De patiënt draagt medeverantwoordelijkheid voor het leefmilieu op de afdeling. Om de verantwoordelijkheid voor het leefmilieu te stimuleren worden afdelingstaken gedelegeerd naar de patiënten, zoals b.v. het schoon houden van de afdeling, de inrichting van de gemeenschappelijke ruimten, onderhoud van de buitenruimtes, het koken voor de groep, het beheer van het huishoudelijke budget en het magazijnbeheer. Iedere afdeling voert een gericht beleid om deze verantwoordelijkheid te stimuleren, passend bij de functie en de specifieke aspecten van de afdeling en de patiënten die er verblijven. Daarnaast betrekt Fivoor de patiënten bij die onderdelen van het beleid die direct raken aan het belang van de patiënten als groep. Hiertoe is voor zowel de opgenomen patiënten als de ambulante patiënten een patiënten-/cliëntenraad ingesteld en wordt deelname hieraan door een vertegenwoordiger van alle afdelingen respectievelijk behandelgroepen gestimuleerd.

Forensisch medewerker als spil

Binnen de FPA en FPK zijn de forensisch medewerkers het grootste deel van de dag werkzaam op de leefgroep. De leefgroep is niet alleen de plek waar de patiënten tijdelijk wonen, maar het is ook de plaats waar de patiënten leren omgaan met zichzelf en anderen in het dagelijkse leven. De problematiek van de patiënt vertaald zich vaak naar spanningen tussen de patiënt en zijn omgeving. Als forensisch medewerker leg je de nadruk op deze wisselwerking en leert de patiënt adequaat omgaan met situaties waarin de spanningen ontstaan. Je houdt je bezig met geven van feedback op het gedrag van patiënten tijdens (kleine) alledaagse situaties. Je bent continu bezig met groepsprocessen op de afdelingen en de interacties tussen patiënten onderling en de patiënt met jou of jouw collega.

Het doel is individuele gedragsverandering bij de patiënt door middel van behandeling, verzorging en beveiliging. Daarvoor gebruik je het dagelijks leven en de activiteiten die daarbij horen zoals het samen koken, opruimen, delen en afspraken maken om informatie te krijgen over mogelijkheden en beperkingen. Op deze mogelijkheden en beperkingen stemt je als forensisch medewerker je interventies af. Overzichtelijke en gedoseerde leersituaties, waardoor de patiënten hun gedrag leren aan te passen aan de algemene normen en waarden van de samenleving. Je bent zelf het behandelinstrument. Dat beperkt zich niet tot vaste tijden, tot de mentorgesprekken of het begeleiden van verlof of activiteiten. Je hebt als begeleider voortdurend een voorbeeldfunctie. Je hebt invloed op de belangrijkste elementen van het leefklimaat.

Milieu therapie is de theoretische basis van ons handelen op de afdeling en we gebruiken het werk en leefklimaat om te toetsen of we dat of de juiste manier doen.

De vier belangrijkste elementen van een leefklimaat

Het leefklimaat bestaat uit vier elementen: ondersteuning, groei, repressie en sfeer. Een positief leefklimaat wordt een open leefklimaat genoemd. Een open leefklimaat reduceert de dwang en bevordert de veiligheid en het herstel van de patiënt doordat het klimaat gericht is op zoveel mogelijk contact tussen patiënt en professional, op ondersteuning voor de patiënten, op zo min mogelijk repressie en op groei voor patiënten.

Groei

Het element Groei verwijst naar zingeving van het verblijf in de kliniek, waarbij wordt toegewerkt naar het (weer) kunnen participeren in de maatschappij. Daarnaast gaat het over de omstandigheden in de kliniek die het voor de patiënten vergemakkelijken om te leren. Overvragen leidt altijd tot frustratie en agressie (of submissief gedrag; Van der Helm, Wegter, & van Nieuwenhuizen, 2011). Ondervragen leidt tot stilstand en verlies van motivatie voor behandeling.

Ondersteuning

Met Ondersteuning wordt de geboden steun en mate van responsiviteit van medewerkers bedoeld. De beleving van steun is in dit geval gebaseerd op positieve relaties tussen de patiënt en medewerker. Steun gaat over er daadwerkelijk ‘zijn’ voor de patiënten. Niet op ‘kantoor’ blijven zitten maar bij de groep en oprecht geïnteresseerd zijn in wie de patiënt is. Responsiviteit gaat over de reactie van medewerkers op speciale behoeften van de patiënten. Hierover lees je meer in de presentietheorie.

Repressie

Repressie omvat de hoeveelheid controle en toezicht en de mate waarin controle eerlijk en begrijpelijk is in het perspectief van de patiënt. Bijvoorbeeld de hoeveelheid regels en de handhaving ervan, de aanwezige privacy en verveling onder de patiënten.

Er is vaak verwarring over het begrip repressie en het wordt soms verkeerd gebruikt (van der Helm et al., 2011). Structuur bieden en ingrijpen wanneer het mis dreigt te gaan is niet wat onder repressie wordt verstaan.

Sfeer

Het element Sfeer geeft de mate weer waarin structuur, veiligheid en vertrouwen tussen patiënten gekoesterd wordt door zowel de fysieke als sociale omgeving binnen de instelling. Wanneer er sprake is van veel incidenten wordt het onveilig voor patiënten en verdwijnt daarmee de veiligheid en het vertrouwen. De fysieke omgeving mag niet worden verwaarloosd. Uit veel onderzoek blijkt dat goede voeding, een opgeruimde en schone omgeving met voldoende frisse lucht en bewegingsvrijheid nodig zijn voor geestelijk welbevinden van patiënten (en ook voor medewerkers).