triangle
Als lid van het bedrijfsopvangteam kun je náást collega’s staan
Verhalen / Fivoor algemeen

Als lid van het bedrijfsopvangteam kun je náást collega’s staan

Sandy Knijnenburg

klinisch casemanager & lid bedrijfsopvangteam (BOT)

Werken in de forensische en intensieve psychiatrie is een bijzondere tak van sport, want medewerkers worden er geconfronteerd met incidenten die impact hebben op hun welzijn. Wie begrijpt dat beter dan een collega? Daarvoor is het bedrijfsopvangteam (BOT) in het leven geroepen: voor en door collega’s, want hen hoef je niet veel uit te leggen. Als geen ander kennen ze de doelgroep waarmee ze werken en het werk zelf. Sandy Knijnenburg is inmiddels drie jaar lid van dat team en overtuigd van wat die onderlinge steun kan betekenen: ‘Je hebt meer het gevoel dat mensen écht snappen wat je hebt meegemaakt.’

‘We hebben gewoon heftig werk en soms zijn er pittige incidenten. Thuis kun je je verhaal wel kwijt, maar heel vaak begrijpt het thuisfront het niet helemaal en kun je in een discussie terechtkomen’, begint Sandy. ‘Als een patiënt je bijvoorbeeld uitscheldt zou hun eerste reactie kunnen zijn om terug te schelden. Wij doen dat niet, want als zorgprofessional reageer je anders.’ Vaak speelt ook ongerustheid een rol bij de reacties van familie en vrienden ‘terwijl ik me hier nooit onveilig voel.’

Geen dag hetzelfde

Haar werk op de FPA Utrecht is geen dag hetzelfde, en juist dat maakt het zo boeiend: ‘Ik houd daar heel erg van. Je kunt je voorbereiden op een dag en dan is het toch weer anders. Het kan soms best pittig zijn. Bovendien, in de psychiatrie zie je dingen die je in veel banen niet ziet: automutilatie, mensen die onder invloed van middelen zijn of psychotisch en zichzelf helemaal kwijt zijn. Je ziet een deel van de maatschappij, van mensen, dat normaal gesproken tamelijk verborgen is. Voor ons is het redelijk gewoon. En áls mensen het al tegenkomen, dan gaan ze er vaak met een grote boog omheen. Wij gaan hier juist het contact aan. Ik vind het echt heel mooi dat je patiënten ziet opknappen. Dat ze inzicht in hun ziekte ontwikkelen.’ Ze geeft een voorbeeld: ‘Ik heb een patiënt die jarenlang nooit helemaal psychosevrij was. Inmiddels wel en nu zijn we aan het kijken naar wat de signalen zijn. Dat is een stukje educatie dat je kunt meegeven.’

Naast elkaar staan

Het verschil tussen hoe collega’s en de buitenwereld naar patiënten kijken is waarom je wat je op je werk meemaakt juist met collega’s moet kunnen delen. Hoe belangrijk dat is ervoer ze een aantal jaar geleden zelf toen ze bij een eerdere werkgever een incident meemaakte dat haar niet in de koude kleren ging zitten: ‘Ik dacht toen werkelijk dat het verkeerd zou aflopen. We drukten op de pieper, maar de piepers deden het niet. Dat was vreselijk!’ Iets als het BOT bestond daar niet, dus werd ze doorverwezen voor ondersteuning buiten de organisatie: ‘Daar heb ik echt wel wat aan gehad, maar je moet ook gaan uitleggen. Daardoor gaat het helemaal niet meer over je gevoel of wat je hebt meegemaakt. Ik had het toen fijn gevonden als er zoiets als het BOT was geweest, het is goed om dat te hebben. Toen ze mensen nodig hadden, zeiden collega’s tegen mij: dat zou echt wat voor jou zijn.’ Daar hadden ze gelijk in, geeft ze toe: ‘Ik deed het eigenlijk al. Als ik wist dat er iets gebeurd was op onze afdeling of op een andere, dan zocht ik mensen op om even een praatje te maken van: hoe is het nu met je? Dat hoort bij mij.’ Ze solliciteerde en werd enthousiast: ‘Want ik denk dat je als lid van het BOT veel meer naast een collega kan staan die iets heeft meegemaakt, doordat je het werkveld kent.’

Luisteren is het belangrijkst

Omdat het ook lastig kan zijn om aan directe collega’s je verhaal te vertellen, probeert het BOT in de regio Utrecht collega’s te koppelen die niet in dezelfde kliniek werken: ‘Dan sta je er een beetje los van, maar doordat je Fivoor en de afdeling waar iemand werkt wel kent, kun je aardig inschatten welke soort patiënten ze behandelen en hoe het er gaat. Het belangrijkst is dat je luistert. Natuurlijk stel je ook vragen over hoe het met iemand gaat, of ze alweer aan het werk zijn, hoe dat voelt, maar iemand moet vooral zijn verhaal kunnen doen.’ Recent nog ving ze een collega op bij wie naast ervaringen op de werkvloer ook de werkdruk parten speelde: ‘Hij voelde zich gehoord, omdat ik weet hoe het kan lopen. Hoe het kan stapelen. Dat het soms inderdaad heel druk is, omdat collega’s ziek zijn of omdat er een vacature is. ‘Als we nieuwe collega’s voor het BOT werven kijken we daar ook naar: of iemand op gepaste afstand naast een ander kan staan. Je moet een mensen-mens zijn en kunnen luisteren zonder oordeel en zonder meteen in te kleuren. We proberen mensen te laten ontdekken: wat helpt jóu? Wat heb je nodig? Maar je moet het ook een beetje kaderen, want we doen geen supervisie of intervisie. Het is echt een eerste opvang. Als we merken dat iemand meer nodig heeft, dat er meer aan de hand is, dan verwijzen we door.’

Impact bespreekbaar maken

Uit alles wat ze vertelt blijkt dat het vooral draait om collegialiteit, het samen doen, tijdens de dienst én bij het BOT: ‘We krijgen nu eenmaal soms patiënten binnen die heftig gedrag laten zien. Omdat ik dit werk al jaren doe en daarnaast geregeld opvanggesprekken voer, ben ik me heel bewust van wat een patiënt kan neerzetten en hoe dat bij iemand binnen kan komen. Ik vind dat we bij Fivoor heel goed zijn in de-escalerend werken. Als we het daardoor met elkaar goed en veilig kunnen houden, patiënten zien groeien en meer controle zien krijgen over zichzelf … Dat vind ik echt geweldig.’ Juist omdat het teamgevoel vaak zo sterk is worden gebeurtenissen niet altijd als incident gerapporteerd, terwijl de invloed op medewerkers groot kan zijn: ‘Wanneer op een afdeling een patiënt regelmatig naar de separeerruimte moet worden gebracht bijvoorbeeld, heeft dat impact op de rest van het team. Want in de separeerruimte krijgt iemand heel frequent begeleiding. Maar je collega moet de rest van de groep dan zo ongeveer alleen draaien. Als je merkt dat zoiets speelt maken we dat bespreekbaar. Of ik zeg tegen een collega: je kunt ook het BOT inschakelen, die kunnen wat voor je betekenen.’ Haar rol als BOT’er is dus om niet alleen te reageren, maar ook te signaleren. Want je moet het mét elkaar doen, benadrukt ze: ‘Ik vind het belangrijk dat je goed voor elkaar zorgt.’

Delen is helen

‘Ik kan zelf best veel hebben en vind het makkelijk om met mensen te praten als ik iets heb meegemaakt. Ik weet wie ik kan inschakelen’, gaat ze verder. Maar die vanzelfsprekendheid om na een voorval een collega of het BOT op te zoeken geldt niet voor iedereen: ‘We horen heel vaak: het hoort bij ons werk, ik moet het zelf kunnen. En ook: ik heb hier toch voor gekozen? erwijl het nooit oké is als een patiënt je bijvoorbeeld uitscheldt. Ik zou het fijn vinden als het laagdrempelig is en mensen het BOT direct weten te vinden. Sommigen denken dat je ons pas kunt inschakelen als je ’s nachts wakker ligt van een incident. Maar als je ergens last van hebt en je ziet ertegenop om te gaan werken of een bepaalde patiënt te zien, dan is het superfijn om dat te kunnen zeggen. Zonder dat iemand zegt “je zult zien, het valt wel mee”.’ Het kan juist lucht geven is haar ervaring: ‘Het is mooi als mensen zich ervoor open kunnen stellen. De meesten stellen het erg op prijs als je contact opneemt, dat je tijd voor ze maakt en er bent. Mensen zeggen bijna altijd: fijn dat ik met je heb kunnen praten.’ Je hoeft niet bikkelhard te zijn om met deze patiënten te werken bedoelt ze: ‘Ik vind het juist krachtig als je het BOT wel inschakelt. Ik zeg het tegen patiënten, maar ook tegen collega’s: delen is helen.’